Elke maand weer een nieuw sprookje uit de Efteling.

Het sprookje van januari:

Raponsje

Heel lang geleden woonde in een huisje, dicht bij het kasteel van een tovenares een jong echtpaar. Vanuit haar dakraampje kon de vrouw in de tuin van de tovenares kijken. Die tuin stond altijd vol prach­tige bloemen en geurige kruiden met geheimzinnige namen. Niemand durfde die tuin betreden en de jongeman en zijn vrouw helemaal niet, want de boze aard van de oude toverkol was maar al te goed bekend. Maar op zekere dag werd de jonge vrouw ziek. Het enige waar ze trek in had, was een slaatje, bereid uit de wortels van een donkerrood kruid dat in de tovertuin groeide. "Ik durf gewoon die tuin niet in", zei haar jonge echtvriend. ‘Stel je voordat die kwaje oude me grijpt!" Doch de ziekte van de vrouw nam een ernstige keer en tenslotte klom haar lie fhebbende man over de hoge muur die de tovertuin omgaf; hij nam wat van de kruiden mee en thuis maakte hij er voor zijn dood­zieke vrouw een slaatje van. Nadat ze hiervan had gegeten, voelde ze zich dadelijk een stuk beter. Maar ze zei erbij dat ze toch zou sterven als hij haar de volgende dag niet nog meer van de levenschenkende kruiden bracht.

Haar man stemde toe; hij hoopte maar dat ook zijn tweede sluiptocht onopgemerkt zou blijven. Helaas, ditmaal had hij minder geluk. De oude heks wachtte hem op. "Hoe durf jij m’n kostbare planten stelen!" gilde ze. "Daar zullen jullie alle twee voor boeten!" "Mijn vrouw is heel ziek", antwoordde de arme man, bevend van angst. "Ze zal sterven als ze niet nog wat van dat donkerrode kruid krijgt dat alleen in uw tuin groeit. Vergeeft u mu en laat me in vrede weer gaan." Maar de heks hield hem met haar bannende ogen vast en hij kon geen voet verzetten. "Op één voorwaarde", zei ze tenslotte. Als je vrouw haar eerste kind krijgt, moet ze ‘t mij geven. Ik zal ervoor zorgen alsof het mijn eigen kind is." De man wilde wel alles beloven, als hij maar uit de tovertuin mocht, en daarom stemde hij toe. Daarna mocht hij een armvol van het be­geerde kruid plukken, dat de heks ramponzolo noemde. "Maar denk eraan!" zei ze dreigend, toen hij weer over de hoge muur klauterde, "je eerstgeborene is van mij!"

Toen zijn vrouw weer genezen was, vertelde de man wat hij de heks had moeten beloven. Maar ze riep uit: "Wat zou zo’n oude kol met ons kind moeten? Laten we het maar vergeten, lieve man, en denk er maar niet meer aan, want ik heb het gevoel dat we, eerhetjaar om is, een kindje zullen hebben." Haar voorspelling kwam uit; binnen een jaar hadden ze een lief dochtertje gekregen. Maar helaas! Nog diezelfde dag kwam de toverkol; ze griste het kind weg en ging ermee vandoor. De heks noemde het kind Raponsje, naar de naam van het donkerrode kruid, en toen ze twaalf jaar was geworden, sloot ze haar in een hoge toren op. Zelfs op haar twaalfde jaar was Raponsje al verblindend mooi en haar lange haren, die tot ver over haar voeten vielen, waren zacht als zijde. Het enige menselijke wezen dat ze ooit te zien kreeg, was de oude toverkol, die ze met Mevrouw aansprak en leerde vertrouwen. In de toren was geen deur en ook geen trap, en daarom riep de heks als ze Raponsje wilde opzoeken:

"Raponsje, Raponsje, laat vallen je haar"

Dan liep Raponsje rap naar het torenvenster en liet haar vlecht naar buiten hangen; het leek wel een lange gouden tres. Dan pakte de heks de vlecht en klom omhoog. Zo waren er al heel wat jaartjes vervlogen toen de kroonprins van een naburig koninkrijk toevallig langs de toren reed, en hij hoorde daarbinnen zingen, zo mooi als hij nog van z’n leven niet had gehoord. Hij werd vreselijk nieuwsgierig en bleef op een afstand luisteren. Opeens kwam de heks:

"Raponsje, Raponsje, laat vallen je haar"

Dat riep ze en daar werd de gulden haarvlecht uit het torenraampje neergelaten. De heks klom naar boven en verdween door het venstertje naar binnen. De jonge kroonprins, die slank en knap was, besloot zijn geluk ook eens te beproeven en de volgende avond, toen het at donker was ge­worden, stond hij onder het torenvenstertje en riep:

"Raponsje, Raponsje, laat vallen je haar"

En ja hoor, de gouden haarvlecht kwam omlaag, de prins pakte het onderste einde beet en klom met bekwame spoed naar boven. Zodra hij in het torenkamertje was, stond hij ademloos te kijken: zó mooi was het meisje dat hij daar zag. En ook het jonge meisje was helemaal ondersteboven van zo’n knappe jonkman, de eerste die ze ooit onder ogen kreeg. "Ik kan je hier niet alleen achterlaten!" riep de prins uit. ‘Dat zal toch wet moeten! ‘ antwoordde Raponsje spijtig, ‘want je kunt deze toren alleen maar in en uit langs mijn haarvlecht." "Dan kom ik je elke avond opzoeken nadat de heks is geweest", besloot de koningszoon. "En dan zullen we samen een ontsnappingsplannetje maken." Maar Raponsje wist al wat haar te doen stond. "Je moet een streng zijde meebrengen", zei ze. "En dat moet je bij elk bezoek herhalen. Dan weef ik er een ladder van, en als die lang genoeg is kan ik ont­snappen! En dan moet je mu op je paard meevoeren, ver van hier.’ Alles ging goed; de jonge prins klom elke avond de toren in en bracht elke keer een streng zijde mee. Raponsje werkte ijverig aan de ladder waarlangs ze zou ontglippen. De heks, die altijd ‘s middags naar boven klauterde, vermoedde niets. Maar op een dag was Raponsje onvoorzichtig en zei: "Vertelt u mij toch eens, lieve Mevrouw, waarom ik tweemaal zo hard moet trekken om u boven te krijgen als bij de prins? Bent u dan zoveel zwaarder..." Bij deze woorden begon de heks te razen en te stampvoeten. "Slechte meid!" glide ze, pakte haar schaar en knip-knip, daar viel Raponsjes lange gouden haar! Toen sprak ze een bezwering uit over het arme meisje, zodat ze in diepe slaap verzonk; toen ze weer wakker werd, lag ze midden in een grote, verlaten woestijn. Nu ging de heks de kroonprins zitten opwachten, maar eerst maakte ze de afgeknipte haarvlecht aan de haak onder de vensterbank vast.

"Raponsje, Raponsje, laat vallen je haar"

riep de prins, die van de prins geen kwaad vermoedde. En de heks liet de gouden haarstreng uit het venster zakken. De kroonprins klom vlug naar boven en daar stond hij oog in oog met de kwaadaardige, van woede bevende toverkol. "Je mooie kleine vogeltje is gevlogen", siste ze hem toe. "En je ziet haar nooit meer terug!" De verbijsterde jonkman sprong in zijn wanhoop uit het raam en viel!, meters diep; hij belandde in een doornstruik, waarvan seherpe doornpunten zijn beide ogen uitstaken. Nu hij blind was, kon hij zijn vaders koninkrijk niet meer terugvinden. Hij zwierf jarenlang al dolend door het land. Maar op een dag kwam hij in de woestijn waar Raponsje zich een hutje had gebouwd. Nauwelijks had ze hem gezien of ze holde naar hem toe en sloeg haar armen om zijn hals, terwijl de tranen van liefde en medelijden langs haar wangen stroomden. De trotse prins boog het hoofd en de tranen van het meisje leekten in zijn gedoofde ogen en als door een wonder keerde het licht erin terug. Met hun armen innig om elkaar heen stapten ze nu samen de woestijn uit. De prins bracht haar naar het paleis van zijn vader; daar trouwden ze en leefden er nog lang en gelukkig.